Over democratische besluitvorming

 

Bij het lezen van de titel van dit artikel vraagt u zich mogelijks af waarom er moeite gedaan word om een artikel te schrijven over democratie? Weerspiegelt de aanwezigheid van een democratisch politiek systeem in de westerse wereld niet het spreekwoordelijke einde van de (politieke) geschiedenis? Had Churchill het decennia geleden al niet bij het rechte eind toen hij zei dat “Democracy is the worst form of government, except for all those other forms that have been tried from time to time.”?

Dat democratie het beste politieke systeem is van alle andere mogelijkheden en dat het een goede zaak is dat we in een democratische staat leven staat buiten kijf maar dat ontslaat ons niet van de plicht om te blijven nadenken over deze vorm van besluitvorming. Dat is meteen ook de bedoeling van dit artikel. Waarom dan precies nu een artikel over democratie? De timing van het artikel is deels toevallig maar is ook nu geschreven omdat er de laatste jaren, meer dan gewoonlijk, ongenoegen is over de politieke stand van zaken in België. Enerzijds hoort men dat het neoliberalisme hoogtij viert en anderzijds is alles de schuld van de sossen. Voor elk wat wils dus en regering en oppositie laten geen kans onbenut om hun versie van ‘de feiten’ in de verf te zetten.

Een deel van het ongenoegen valt zeker toe te schrijven aan de impact die de globale economische en financiële crisis tot op de dag van vandaag nog altijd uitoefent op nationale democratieën en hun reactie op deze crisis. In dergelijke omstandigheden mag het niet verwonderen dat de debatten en beleidskeuzes iets meer ideologisch geladen zijn dan anders het geval is. De gemaakte keuzes zullen immers minstens gedeeltelijk ingegeven zijn door verschillende analyses van wat er nu eigenlijk is misgelopen in 2007-2008. Onder normale omstandigheden is dit ook geen probleem, integendeel zelfs. We verwachten immers van een democratisch systeem dat het ons op zijn minst een alternatief voorschotelt waarover we kunnen discussiëren en waarop we kunnen stemmen bij verkiezingen.

Dat de winnaar(s) van deze verkiezingen niet altijd onze mening delen lijkt voor de hand liggend en is evenmin een reden tot bezorgdheid in een democratische samenleving. Indien er ontevredenheid is over het gevoerde beleid kunnen partijen via sterk oppositiewerk na de volgende verkiezingen misschien wel hun visie en ideeën in de praktijk omzetten.

De opzet van dit artikel is evenwel niet om een exhaustieve opsomming te geven van externe factoren die de werking van een democratisch politiek systeem kunnen verstoren. De bedoeling is om te argumenteren dat een deel van de ontevredenheid die leeft over democratie/democratische besluitvorming het gevolg is van elementen die vervat zitten in het concept democratie zelf en dus altijd zullen aanwezig zijn ongeacht de omstandigheden waarin een democratisch systeem werkzaam is.

Het eerste fundamentele probleem in democratie lijkt van een dubbele aard te zijn: ten eerste zijn de ideeën die verschillende partijen/groepen/… aanhangen in de meeste gevallen tegenovergesteld en bijgevolg onverenigbaar. Ten tweede worden deze ideeën bovendien top down geïmplementeerd met een beperkte periode om te zien of ze werken. Men kan dan bovendien nog eens discussiëren over de maatstaven waarmee het succes van het beleid zou moeten gemeten worden.

Het top down implementeren van beleid op basis van verkozen ideeën tijdens verkiezingen heeft echter een significant gebrek, deze democratische vorm van besluitvorming wordt namelijk inherent gekenmerkt door onwetendheid. Op zich is dit geen verwijt omdat onwetendheid een basisconditie is van elk menselijk handelen en iedereen er door beperkt is. Wat de combinatie van onwetendheid en een systeem van democratische besluitvorming zo potentieel gevaarlijk maakt is dat het vaak omwille van deze onwetendheid onmogelijk is om via een top down manier de verkozen ideeën te ‘testen’ zonder potentieel zware schade aan te richten. De reden hiervoor is de volgende:

“For a planning mechanism to achieve an equivalent level of coordination would require an organized group to be consciously aware of all the relevant facts necessary to secure coordination between the multitude elements that form a complex economic system. However, it is precisely the cognitive inability of such a group to access the constantly changing circumstances of individuals and firms that prevents conscious coordination of this type.” (Pennington, 2003, p. 727).

Met andere woorden de kennis die nodig zou zijn om ideeën top down succesvol te implementeren kan simpelweg niet gecentraliseerd worden in één of een aantal besluitvormingsorganen. Dus ongeacht welke ideeën de ideeënstrijd in een democratie winnen, er zullen altijd problemen zijn in het uitvoeren van beleid gebaseerd op deze ideeën. Een tegenargument zou kunnen zijn dat het succes van een bepaalde overheid (alweer: succes op welke criteria?) zal beloond of afgestraft worden door het electoraat en er op deze manier wel een test gebeurt. Dit argument gaat ervan uit dat voordelen en nadelen van een gevoerd beleid duidelijk te onderscheiden vallen en dat een meerderheid van de bevolking dit ook als nadeel erkend en bijgevolg hun stem zal uitbrengen tegen het beleid.

Tegenover dit top down democratisch besluitvormingsproces kan men het gedecentraliseerde proces van besluitvorming op basis van marktprijzen plaatsen. De participanten in beide vormen vertrekken wel van hetzelfde idee, namelijk het aanbieden van een alternatief voor het bestaande dat volgens hen beter aansluit bij de voorkeuren van hun doelpubliek (kiezers en klanten) om zodoende hun doelstelling te kunnen realiseren (verkozen worden en winst realiseren). Daar eindigt de overeenkomst ongeveer, van groter belang zijn de verschillen tussen deze twee vormen.

Het belangrijkste verschil betreft het omgaan met de reeds vermelde onwetendheid. Het voordeel van prijzen is dat de informatiebehoefte voor het nemen van beslissingen geminimaliseerd word:

“In markets, however, the constant process of feedback embodied in the changing structure of relative prices facilitates a process of mutual adjustment between people who never actually meet and cannot know in sufficient detail the precise circumstances of others.” (Pennington, 2003, p. 729).

Bovendien is een veel selectievere besluitvorming mogelijk aangezien goederen en diensten kunnen worden slecht bevonden zonder dat dit een weerslag heeft op andere goederen en diensten van dezelfde producent. Bij verlies op één bepaald product maar winst op alle anderen kan een producent simpelweg beslissen om de productie van dat ene product stop te zetten. Bij verkiezingen beschikt de kiezer over één stem voor een volledig verkiezingsprogramma van een partij waardoor het moeilijker is om te ontwaren welke voorstellen effectief gesmaakt worden en welke niet. Deze situatie wordt verergerd door de aard van verkiezingen: bij verkiezingen (afhankelijk van het verkiezingssysteem) is het alles of niets, een partij zal deelnemen aan de macht of niet. Zelfs in proportionele systemen waar er coalities worden gevormd en er verschillende partijen verschillende posten zullen bemannen moet er een regeerakkoord afgesloten worden dat bepaalt welke keuzes zullen gemaakt worden in welk domein waardoor de verkozen partijen toch geen volledige vrijheid hebben. Bovendien zal men geen verliezende partij in de regering opnemen enkel en alleen omdat deze partij volgens het grootste deel van de bevolking het beste standpunt heeft over één bepaald thema.

De mix van onwetendheid en een democratisch besluitvormingssysteem zorgt dus zowel aan de input als aan de output kant voor significante problemen:

“Election margins reveal information about social satisfaction with the aggregate effects produced by the incumbent party’s policy bundle, but voters’ evaluations of the individual policies comprising the bundle cannot be disaggregated from the signal the election margin communicates to a party. This makes it difficult for parties to use election margins to determine how to allocate resources among the individual policies they produce, a problem that exists independently of the difficulty of collecting costly information that exists but cannot be known in its entirety.” (Decanio, 2014, p. 644).

Hierop doorgaand kan men opmerken dat de richting van de causaliteit in de tegenovergestelde richting loopt: in een marktproces zullen bedrijven producten/variëteiten van producten produceren op basis van een inschatting van wat de voorkeuren van de consument zijn waarna de consumenten zich uitspreken over deze producten door middel van het al dan niet (massaal) aankopen van deze producten. Bij verkiezingen daarentegen beschikt de kiezer niet enkel over slechts één stem die ondeelbaar is en niet over een bepaalde som geld die hij/zij kan opsplitsen naargelang waaraan hij/zij het wil besteden maar moeten de kiezers hun voorkeur laten blijken nog voor het beleid effectief geproduceerd is. Bij verkiezingen vraagt men dus aan kiezers om zich uit te spreken over de hypothetische kans dat andere partij(en) het in de toekomst beter zullen doen (welke criteria?) dan het beleid dat de voorbije jaren effectief is gevoerd.

Waar de markt dus evolutionair werkt via het continue testen en aanpassen waardoor producten van verschillende producenten simultaan naast elkaar kunnen bestaan indien ze goed worden bevonden en anderen kunnen worden stopgezet is democratische besluitvorming maar al te vaak een ‘package deal’ die niet verkozen alternatieven a priori uitsluit en waar er slechts om de paar jaar hopelijk verandering in kan komen. Een gelijkaardig probleem stelt zich bij de aflossing van de wacht als een andere partij dan inderdaad het stuur overneemt. In een dergelijke situatie is het nog maar de vraag welke delen er van het beleid van een vorige regering zullen overgenomen worden door een nieuwe regering, ongeacht of de kiezers dit goed of slecht vonden.

Het tweede fundamentele probleem van democratie is dat, zoals al aangehaald in het begin, het een ‘clash van ideeën’ zou moeten zijn waaruit het beste idee naar voren komt en vervolgens ook uitgevoerd word. Dit idee steunt op een aantal sterke aannames: een eerste aanname is dat er wordt van uitgegaan dat alle ideeën eenzelfde kans zullen krijgen om hun waarde te bewijzen, iets wat toch niet bepaald het geval is in de praktijk. Bovendien zouden deze ideeën allemaal even goed moeten kunnen gearticuleerd worden zodat er geen idee is dat de voorkeur krijgt enkel en alleen omwille van een betere retorische uiteenzetting want inhoud primeert toch nog altijd op presentatie.

Een volgende aanname is dat politici zelf een voldoende voordeel hebben bij het uiten van een grote diversiteit van meningen. Intuïtief valt hier aan te twijfelen want waarom zou een politici ideeën verkondigen die slechts bij een klein deel van de bevolking bijval vinden? Er zijn altijd politici die het uit principe zullen doen maar de vraag is maar of deze ooit verkozen zullen worden laat staan invloedrijk zijn? Het meest logische voor politici zou zijn om meningen te verkondigen die door een breed deel van de bevolking worden gedragen (in politieke termen spreekt men in dit verband vaak over het ‘centrum’). Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dit ook, getuige de bijdragen uit de discipline van ‘Public Choice’ en de paradox van Condorcet en Arrow’s ‘Impossibility Theorem’ in verband met stemmen bij verkiezingen.

Nog een aanname is dat eenmaal partijen verkozen zijn ze deze ideeën ook effectief gaan implementeren. Is het echter mogelijk om elk standpunt/belofte/idee uit te voeren tijdens de regeerperiode? Vanaf wanneer ‘verraadt’ een partij zijn idealen, na eenmaal iets niet uit te voeren? Na tweemaal? Is het nota bene wenselijk dat partij(en) alles uitvoeren dat in hun programma staat?

Tenslotte hebben partijen, omwille van de aanwezigheid van onwetendheid, na verkiezingen een significante speelruimte om alsnog beslissingen te nemen die ofwel ingaan tegen de eigen standpunten of geen bijval vinden bij een groot deel van de bevolking. In tegenstelling tot gedecentraliseerde beslissingsprocedures zoals de markt kan hier slechts in uitzonderlijke gevallen verandering in worden gebracht. De overheid die ten val wordt gebracht door interne onenigheid of externe druk is zeker het meest prominente voorbeeld doch daarmee zijn de problemen niet altijd van de baan zoals België in 2010 mocht ervaren. Wederom in tegenstelling tot de situatie op de markt waar het wegvallen van één bedrijf geen verregaande implicaties hoeft te hebben voor het functioneren van een volledige sector.

 

Referenties

 

Pennington, M. (2003). Hayekian Political Economy and the Limits of Deliberative Democracy. Political Studies, 51(4), 722-739.

DeCanio, S. (2014). Democracy, the market, and the logic of social choice. American Journal of Political Science, 58(3), 637-652.

Advertisements